De Belgische vakantiewetgeving, een complexe materie

De Belgische vakantiewetgeving, een complexe materie

We hebben de afgelopen weken al even genoten van lente-temperaturen en dat doet ons vol verlangen uitkijken naar vakantie. Maar op hoeveel vakantiedagen heb je eigenlijk recht? En hoeveel bedraagt je vakantiegeld?

Ingewikkelde berekeningen

Onze Belgische vakantiewetgeving vertrekt van het principe dat vakantierechten eerst moeten worden opgebouwd alvorens ze kunnen worden opgenomen. Je bouwt als het ware eerst een spaarboekje met vakantierechten (vakantiedienstjaar) op, om ze nadien te kunnen consumeren (vakantiejaar). Concreet: je moet in 2018 een heel jaar (voltijds) werken alvorens je in 2019 recht hebt op 4 weken betaalde vakantie.

Dit principe is de oorzaak van vele ingewikkelde berekeningen zoals het vertrekvakantiegeld bij uitdiensttreding, het verrekenen van vakantieattesten bij wijziging van werkgever, de decemberafrekening na een daling van de prestatiebreuk en de toekenning van aanvullende 'Europese' vakantiedagen.

Gevaar voor fouten

De meest voorkomende fouten gebeuren ongetwijfeld bij het vaststellen van de vakantierechten bij het wijzigen van de prestatiebreuk (voltijds versus deeltijds stelsel). Zowel bij het vermeerderen als bij het verminderen van de prestatiebreuk, moeten vakantierechten opnieuw worden berekend. Dit wil zeggen dat niet alleen het beginsaldo (uitgedrukt in het nieuwe stelsel) opnieuw moet worden bepaald, maar ook de reeds opgenomen vakantierechten in het voorgaande stelsel opnieuw moeten worden berekend.

Afwijkingen in éénzelfde berekening

Soms heb je afwijkingen in éénzelfde vakantiegeldberekening. Hoe komt dat?

De Belgische vakantiewetgeving is niet overal éénduidig en laat soms ruimte voor interpretatie. Het sociaal secretariaat waarbij je bent aangesloten, heeft dus ook een invloed.

Een voorbeeld. Een bediende bouwt vakantierechten op per maand, uitgedrukt in een zesdagenweek (maar per schijf van 6 dagen gaat er 1 dag af voor de omrekening naar een vijfdagenweek). Het 'dubbel' en 'aanvullend' vakantiegeld (de '92%') wordt ook opgebouwd per gepresteerde maand (1/12de) in het vakantiedienstjaar, maar berekend op basis van het maandloon van de maand van uitbetaling.

Stel: een bediende met een maandloon van 2.500 euro in 2019 heeft 7 maanden gewerkt in 2018. Hij heeft dus 12 vakantiedagen opgebouwd (7 x 2 = 14 – 2 = 12) van de maximaal 20 dagen die hij kan opbouwen. Zijn dubbel en aanvullend vakantiegeld bedraagt, afhankelijk van het sociaal secretariaat waar hij is aangesloten: 2.500 euro x 92% x 7/12de of 2.500 euro x 92% x 12/20ste. Het resultaat zal verschillend zijn, maar toch berusten beide berekeningen op de principes van dezelfde wetgeving.

Belgische wetgeving - lacunes

De wetgeving spreekt enkel over vakantiedagen, niet over uren. Wat betekent dit concreet?

In de praktijk kunnen we soms niet anders dan deze lacune op te vullen door te tellen in uren. Bijvoorbeeld: een voltijds medewerker (38/38ste) werkt op maandag en dinsdag 11u, de rest van de week 5,33u. Indien deze medewerker recht heeft op 20 dagen verlof, zijn dat eigenlijk 8 dagen van 11u en 12 dagen van 5,33u. Het is dan makkelijker om te tellen in uren. Dit is uiteraard ook van toepassing bij deeltijdse medewerkers.

 

Wil je meer weten? Bekijk hier ons volledig aanbod rond de Belgische vakantiewetgeving.