Wat met zijn vakantierechten als uw werknemer van arbeidsregime verandert?

Wat met zijn vakantierechten als uw werknemer van arbeidsregime verandert?

Elk jaar opnieuw stelt u begin januari voor elk personeelslid de vakantiefiches op. Daarbij maakt u liefst geen fouten, want vakantiedagen zijn heilig voor medewerkers. Iedereen weet graag heel precies hoeveel vakantie hij kan inplannen in 2018. Een steeds terugkerende moeilijkheid bij dit klusje is het correct berekenen van het aantal vakantiedagen van een werknemer die op 1 januari van arbeidsregime verandert.

De vakantiewetgeving geeft geen oplossing voor wat er moet gebeuren als deeltijdse werknemers hun arbeidsregeling wijzigen. De wetgeving stelt alleen maar enkele algemene principes voorop:  

  1. Een eerste principe is dat de vakantieduur wordt bepaald in verhouding tot de arbeidsprestaties tijdens het vakantiedienstjaar. Dit houdt dus in, dat wie een volledig vakantiedienstjaar gewerkt heeft (voltijds of deeltijds), recht heeft op vier weken vakantie. Wie geen 12 maanden heeft gewerkt, kan dus ook nooit 4 weken vakantie opnemen.
  2. Een tweede principe stelt dat u nooit méér vakantie kan opnemen dan het arbeidsduurregime dat geldt op het ogenblik dat u vakantie neemt, toelaat. Dit principe betekent ook dat u nooit méér dan vier weken vakantie mag nemen. U moet de vakantie dus opnemen volgens het op dat moment geldende arbeidsduurregime.

We verduidelijken dit met enkele voorbeelden. Weet wel dat de realiteit vaak véél complexer is dan de situaties die we hier schetsen.

Vakantiedagen omzetten in uren

Bij deeltijdse medewerkers is het zinvol om de vakantiedagen uit te drukken in uren. We werken de voorbeelden dan ook zo uit. Het aantal vakantie-uren bekomt u door de vakantiedagen te vermenigvuldigen met de gemiddelde dagelijkse arbeidsduur uitgedrukt in een 5-dagenweek. Als gemiddelde dagelijkse arbeidsduur nemen we 7,6 uren (op voorwaarde dat 38 uren een voltijds uurrooster is).

Voorbeeld 1

Uw medewerker werkte in 2017 12 maanden lang voltijds. Hij heeft dus voor 2018 20 wettelijke dagen vakantie opgebouwd (ofwel 152 uren, d.i. 20 dagen x 7,6 uren). Als hij op 1 januari 2018 overgaat naar een 19/38ste regeling, heeft hij recht op 76 uren vakantie. Hij kan dus van zijn 152 uren slechts 76 uren opnemen. Maar met die 76 uren vakantie kan hij wel 4 weken verlof nemen in het werkregime waarin hij werkt. De overige uren krijgt hij dan uitbetaald bij de zogenaamde decemberafrekening 2018.

Voorbeeld 2

Uw medewerker werkte in 2017 gedurende 9 maanden voltijds en heeft gedurende 3 maanden voltijds ouderschapsverlof genomen. Hij heeft voor 2018 dan 15 wettelijke dagen vakantie opgebouwd (ofwel 114 uren, d.i. 15 dagen x 7,6 uren). Als hij op 1 januari 2018 overgaat naar een 19/38ste regeling, heeft hij recht op 57 uren vakantie. Hij kan van zijn 114 uren slechts 57 uren opnemen, maar hij kan met die 57 uren vakantie wel 3 weken verlof nemen in het werkregime waarin hij werkt. In deze situatie kan hij nooit 4 weken verlof nemen, omdat hij vorig jaar maar 9 maanden heeft gewerkt in plaats van 12 maanden. De overige 57 uren krijgt hij wel uitbetaald bij de zogenaamde decemberafrekening 2018.

Voorbeeld 3

Uw medewerker werkte in 2017 gedurende 9 maanden voltijds en heeft gedurende 3 maanden halftijds ouderschapsverlof opgenomen. Hij heeft voor 2018 17,5 wettelijke dagen vakantie opgebouwd (ofwel 133 uren, d.i. 17,5 dagen x 7,6 uren). Als hij op 1 januari 2018 overgaat naar een 19/38ste regeling, heeft hij recht op 76 uren vakantie. Hij kan van zijn 133 uren slechts 76 uren opnemen, maar hij kan met 76 uren vakantie wel 4 weken verlof nemen in het werkregime waarin hij werkt. De medewerker heeft immers vorig jaar gedurende 12 maanden steeds halftijds gewerkt. De overige uren worden uitbetaald bij de zogenaamde decemberafrekening 2018.

Meer weten over het berekenen van vakantierechten en vakantiegeld?

Bekijk ons opleidingsaanbod: